Dwangstoornis

Bij een dwangstoornis heb je last van gedachtes die je niet wilt hebben. Dat zijn dwanggedachtes(obsessies). Vaak heb je ook dingen die je steeds moet doen. Volgens vaste regels. Dat zijn dwanghandelingen(compulsies).

Je voelt veel spanning als je die dingen niet doet. Of je bent bang dat er dan iets ergs gebeurt. Als je die dingen wel doet, voel je minder spanning of angst. Maar daardoor leer je niet op een gezonde manier met die gevoelens om te gaan. Meestal weet je wel dat het overdreven is wat je steeds doet. Toch blijf je het doen. Want je spanning en angst worden er (tijdelijk)minder door.

Je hebt veel last van de dwang in je leven. Het kan zijn dat je er wel een paar uur per dag mee bezig bent. Op school of op het werk gaat het de laatse tijd ook minder goed.

Een dwangstoornis is een angststoornis

Wat merk je van een dwangstoornis? Je hebt last van nare gedachtes die je eigenlijk niet wilt hebben. Bijvoorbeeld dat er iemand dood gaat of een erge ziekte krijgt. De gedachtes komen steeds terug. Dat zijn dwanggedachtes(obsessies).

Ook moet je steeds bepaalde dingen doen. Dat zijn dwanghandelingen(compulsies). Bijvoorbeeld:

  • steeds controleren of iets wel precies op de goede plek staat
  • Ramen en deuren controleren of ze wel op slot zitten en dit herhalen
  • steeds controleren of een kraan goed dicht zit
  • heel vaak je handen wassen of bepaalde rituelen hebben tijdens het douchen
  • op een trap steeds bepaalde treden overslaan
  • iets een vast aantal keer doen, bijvoorbeeld 3 keer in je handen klappen voor je de voordeur opendoet
  • dingen op een tafel steeds heel netjes en precies naast elkaar leggen

Je doet de dwanghandelingen om minder angst te voelen. Of om te zorgen dat er niet iets ergs gebeurt. Misschien wil je ook dat anderen eraan meedoen. Ze moeten bijvoorbeeld ook alles heel netjes opruimen en dingen recht leggen.

Je kunt alleen dwanggedachtes of alleen dwanghandelingen hebben. Of allebei.

Hoe ontstaat een dwangstoornis?

Een dwangstoornis ontstaat meestal door een combinatie van deze dingen:

  • erfelijke aanleg
    Hoe snel je angstig bent, is erfelijk. Daardoor kunnen mensen in de ene familie angstiger zijn dan in de andere familie.
  • je karakter
    Ben je heel verlegen? Of ben je heel gevoelig voor stress? Dan heb je een grotere kans op angstproblemen.
  • bepaalde stoffen in je bloed en in hersenen
    Zoals stoffen die stress regelen.
  • wat je meemaakt in je leven
    Een dwangstoornis kan ontstaan na een heftige gebeurtenis (trauma) waarin je heel bang was.

Sommige mensen hebben een grotere kans op een dwangstoornis. Bijvoorbeeld mensen met een depressie of verslaving.